Wel of geen munten geslagen in Oldeboorn?
Het is lang onduidelijk geweest, of er in Oldeboorn, in de middeleeuwen, nu
wel of geen munten werden geslagen. Door Geert Knol, beheerder van het munt- en
penningkabinet in Surhuisterveen en oud inwoner van Aldeboarn, werden we gewezen
op een publicatie, waarin wordt beschreven dat Oldeboorn wel degelijk een
muntslag heeft gehad. Een uittreksel van deze publicatie volgt hierna.
De eerste Friese munten werden reeds geslagen in de overgang van de Romeinse
tijd naar de vroege Middeleeuwen. Het woongebied strekte zich uit van Cadzand
tot aan de Wezer en het werd bestuurd door ‘’Koningen’’, zoals Aldgisl tot 679
en Radboud tot 719. Voor het overige is er weinig bekend. Alleen wat mythen en
sagen ons vertellen, waarin behalve hertogen en koningen ook vuurspugende draken
een belangrijke rol spelen.
De economie was in die tijd vrijwel geheel agrarisch georiënteerd en
zelfvoorzienend. De handel was bescheiden van omvang. Op kleine schaal vond
(ruil)handel plaats in alledaagse goederen. De handel over grotere afstanden,
die ernstig werd belemmerd door het ontbreken van vervoermiddelen en een
behoorlijk wegenstelsel, betrof alleen luxe goederen, slechts weggelegd voor een
kleine bovenlaag van de bevolking. Pas in de zevende eeuw ontstonden in Noord
Europa weer handelsnetwerken, waarin de Friese kooplieden een belangrijk aandeel
wisten te verwerven, in de vaart over de Noordzee ofwel de ’’Mare Frisicum’’.
Omstreeks 650 veroverden de Friezen het gebied rond de grote rivieren, waarmee
Dorestad (aan de Kromme Rijn, hoofdarm van de Rijn vlakbij het tegenwoordige Wijk
bij Duurstede) in hun invloedsfeer kwam te liggen. In Dorestad werd reeds op
betrekkelijk grote schaal munt geslagen van ca. 635-650. Dit was waarschijnlijk
de eerste keer, dat binnen Friese grenzen de munthamer werd gehanteerd. Vooral
de geografische ligging van Friesland, ( niet het Friesland, zoals wij dat nu
kennen maar een veel groter gebied) tussen Engeland, Denemarken, Zweden en het
achterliggende Oostzee gebied en het land van de Franken in het Zuiden, speelde
een grote rol. Tussen 750 en 850 groeide Dorestad (Wijk bij Duurstede) zelfs uit
tot één van de belangrijkste handelscentra in Europa. Hoewel we weten, dat
Boarnster kooplui niet achteraan liepen, is het, uit verschillende publicaties,
duidelijk, dat Aldeboarn geen thuishaven was van grote handelsschepen. De
thuishavens waren meestal Staveren en Hindelopen en ook Amsterdam. De reden
hiervoor was, dat de "rivier" de Boorn hoewel een belangrijke verbinding in het
noorden, te ondiep was voor schepen, die gebruikt werden bij deze handelsvaart.
Ook de Kogge, zoals die te zien is in onze Aldheidskeamer zal niet Aldeboarn als
thuishaven hebben gehad. Uit een beschrijving van de Kogge blijkt, dat dit schip
30 m.lang,7m. breed en een diepgang van 3 m. had en de Boorn dus niet kon
bevaren. Wel is het mogelijk, dat een Boarnster eigenaar was van een dergelijk
schip maar hierover is, tot nu toe, niets bekend. Dat neemt niet weg, dat
boarnster kooplui/schippers wel een grote rol speelden in de handelsvaart over
de Zuiderzee en naar de Oostzeelanden.
Van geregelde muntslag was in die tijd nog geen sprake. De munt productie kwam in handen van zogenoemde ‘’Monetarie’’. Dit waren zelfstandige vaklieden, vaak goudsmeden, die onder eigen naam munten vervaardigden voor plaatselijke kooplieden of voor eigen rekening. De munten die werden geslagen waren gouden ’’Tremisses’’, een klein muntje van ongeveer 1.52 gram. Het muntje bleef in zwang tot het midden van de negende eeuw en werd geïmiteerd door verschillende volken o.a Friezen. Langzamerhand ontwikkelden zich eigen typen en omschriften, waarbij de naam van de muntplaats en de Monetarius op de munt werd vermeld. Omstreeks 650 veroverden de Friezen het gebied rond de grote rivieren. Voor zover bekend, was het de eerste keer, dat binnen Friese grenzen de munthamer werd gehanteerd. Vanaf die tijd verdwijnt het goud als muntmateriaal. Hiervoor in de plaats komen de zilveren "sceatta’s". Het is een kleine dikke munt, geslagen uit een bolletje zilver. Deze sceatta’s zijn omstreeks 680 in Engeland ontstaan en via handelscontacten ook tot Friesland doorgedrongen, waar ze al spoedig werden nageslagen. De sceatta veroverde in korte tijd de positie van algemeen aanvaarde handelsmunt in het hele gebied rond de Noordzee, van Engeland via Nederland en Duitsland tot aan Denemarken toe. Pas na het jaar 1000 komt de reguliere muntslag op orde. Dan pas wordt het mogelijk de Friese muntplaatsen en muntheren te benoemen.
Bruno III, graaf van Brunswijk, Staveren, Ooster-en Westergo en Islego,
bracht een omvangrijke muntslag op gang in Bolsward, Dokkum, Leeuwarden en
Stavoren. Nadat Bruno wordt vermoord wordt hij opgevolgd door zijn broer Egbert
I. Op naam van deze Egbert is gemunt in bovenstaande steden, maar ook in
OLDEBOORN. De munten uit de periode van de Brunswijkse graven noemt men "Brunonen".
Omdat deze munten zijn teruggevonden in een groot verspreidingsgebied, van
IJsland tot ver in Rusland, moet de aanmunting zeer aanzienlijk zijn geweest.
Het is dus zeker, dat er is gemunt in de Friese plaatsen: Bolsward,Leeuwarden,
Dokkum, OLDEBOORN, Stavoren en Winsum.
Een paar maanden terug werd een belangrijke muntvondst gedaan, bestaande uit in
Friesland geslagen munten. Wie weet ook munten geslagen in Aldeboarn. Het zou
mooi zijn, als onze Aldheidskeamer een paar van dergelijke munten in zijn
collectie zou kunnen onderbrengen.
Uit de "Muntkoerier" nr.7/2002. Friese munten uit de 7e tot het einde 11e eeuw. (W.A.B.)